Integendeel.
De dochter, uit hostellerie “De Swaen” op de hoek van de Croonstraat en de Markt te Eecloo, wist het zo aan te leggen, dat de klanten, meestal van hogere komaf, zeer tevreden waren
over de bediening en zelfs een ruime beloning beloofden.
‘Ik breng het nobel gezelschap een kruik van vaders beste wijn.’ zei ze, of ‘Wenst u nog iets te gebruiken voor het slapen gaan?’

Vooral nu.
Ze vermoede dat aan de overkant van de straat, in “de Croon”, iets in het grootste geheim aan het gebeuren was.
Ze wist dat de meest in aanzien zijnde adel van het land daar gelogeerd was en ook dat men onmogelijk kon verder reizen naar Gent! Het was slecht weer en de wegen waren slecht en modderig. Maar toch…

Vooral omdat ze, ongewild weliswaar, een edele heer boos had horen zeggen: ’Ze was beter in Gent gebleven!’ en ook ‘Waar blijft de echtgenoot?’

Wie was beter in Gent gebleven? En waarom? Het was spannend en ze mocht niets vragen of zeggen. Verbod van vader!